+31 70 711 23 00

Opletten geblazen voor bestuurders van stichtingen

By 3 juni 2021Nieuws

Op 1 juli 2021 treedt de Wet bestuur en toezicht rechtspersonen (‘WBTR’) in werking. Voor bestuurders en toezichthouders van verenigingen, stichtingen, coöperaties en onderlinge waarborgmaatschappijen brengt deze wet veel nieuws.

Met de WBTR wordt ook voor bestuurders en toezichthouders van deze rechtspersonen nadrukkelijk wettelijk vastgelegd dat zij zich bij hun taakvervulling moeten richten naar het belang van de rechtspersoon en de daaraan verbonden organisatie. Bovendien wordt het wettelijk verboden voor bestuurders en toezichthouders om deel te nemen aan beraadslagingen en besluitvorming bij een tegenstrijdig belang. Naast bestuurders kunnen ook toezichthouders hoofdelijk aansprakelijk worden gesteld als zij hun taak niet behoorlijk verrichten. Voor leden van de raad van commissarissen en de raad van toezicht, welke organen nu een wettelijke grondslag krijgen, wordt het aansprakelijkheidsrisico daardoor groter. Dit is bijvoorbeeld aan de orde als zij de administratie- en deponeringsplicht niet in acht nemen. Dit is bijvoorbeeld voor bestuurders van een vereniging of stichting die een onderneming drijven en die in 2 opeenvolgende boekjaren minimaal € 6 miljoen per jaar omzetten, van belang.

Ook krijgt de rechter meer beoordelingsvrijheid om te oordelen over het ontslag van een bestuurder of toezichthouder op verzoek van het Openbaar Ministerie of een belanghebbende. Voor de praktijk is ook van belang dat het niet langer zal zijn toegestaan dat één bestuurder of toezichthouder méér stemmen kan uitbrengen dan de andere bestuurders of toezichthouders tezamen. Met name bij familiestichtingen waarbij de oprichter of familie in het bestuur zit, komt dit regelmatig voor. Als men de situatie wil behouden dat de oprichter of familie de doorslaggevende stem heeft, zal men de bestuurssamenstelling moeten aanpassen. Men kan dan bijvoorbeeld bepaalde bestuursleden uit het bestuur overplaatsen naar een raad van advies/toezicht.

Hoewel de WBTR op 1 juli 2021 in werking treedt, is het niet per se noodzakelijk de statuten van bestaande stichtingen en verenigingen onmiddellijk aan te passen. Tot 1 juli 2026 geldt een overgangsperiode. Als de statuten een stemrechtregeling kennen op grond waarvan een bestuurder meer stemmen kan uitbrengen dan andere bestuursleden, is die regeling per 1 juli 2026 nietig. Indien een rechtspersoon in haar statuten afwijkt van de tegenstrijdig belangregeling, zoals neergelegd in de WBTR, zijn die statutaire bepalingen vanaf 1 juli 2021 wel direct nietig. Een statutenwijziging is dan misschien wel noodzakelijk. Voor rechtspersonen zonder statutaire belet- en ontstentenisregeling geldt dat zij die bij de eerstvolgende statutenwijziging moeten opnemen. Kortom, hoewel niet alle aanpassingen direct gelden voor bestaande stichtingen en verenigingen, is het verstandig de statuten wel na te laten kijken om te kunnen beoordelen of een statutenwijziging noodzakelijk is.

Delissen Martens
Advocaten en Belastingadviseurs

Robbert Delissen
rdelissen@delissenmartens.nl
070 311 54 11